vorige  |  volgende
oostelijke witsnuitlibel  (Leucorrhinia albifrons)

Zeer zeldzame witsnuitlibel, met slank achterlijf en witte achterlijfsaanhangselen.

Onderorde

libellen

Familie

korenbouten (Libellulidae)
meer informatie over deze familie »

Kenmerken

33-39 mm. Achterlijf gevormd zoals bij de meeste andere witsnuitlibellen: vrijwel zonder knotsvormige verbreding aan het uiteinde. Achterlijfsaanhangselen wit, pterostigma’s donkerbruin tot zwart (beide geslachten). Achterlijf nooit met roodbruine vlekken. Mannetje: uitgekleurde mannetjes hebben een geheel donker achterlijf, met helemaal aan het begin van het achterlijf een lichte blauwgrijze berijping. Deze berijping is vaak ook bovenop het borststuk (tussen de vleugelaanhechtingen) zichtbaar. De witte achterlijfsaanhangselen steken duidelijk af tegen het zwarte achterlijf. De ogen worden blauwgrijs. Jonge mannetjes hebben nog geen berijping en zien eruit zoals vrouwtjes. Vrouwtje: achterlijf geheel donker, met bovenop de achterlijfssegmenten smalle gele vlekjes of lengtestreepjes. Bij sommige vrouwtjes zijn deze gele vlekjes alleen aan het begin van het achterlijf aanwezig en is de rest van het achterlijf helemaal zwart.

Gelijkende soorten

Andere witsnuitlibellen, vooral de sierlijke witsnuitlibel.

Dit verspreidingsbeeld is gebaseerd op waarnemingen die zijn doorgegeven aan De Vlinderstichting. Het ontbreken van stippen op de kaart betekent dus niet per se dat de soort daar niet voorkomt. Het kan ook betekenen dat de soort er wel zit, maar dat we daar vandaan (nog) geen waarnemingen ontvangen hebben.
  Klik op het kaartje voor een vergroting

Dit vliegtijdendiagram is gebaseerd op waarnemingen die zijn doorgegeven aan De Vlinderstichting.

Voorkomen

Zeer zeldzaam, in Nederland slechts één populatie.

Habitat

Vennen en hoogveenplassen.

Vliegtijd en gedrag

Korte vliegtijd: eind mei tot eind juli, hoogste aantallen in juni. Jonge imago’s vliegen weg van het water en brengen veel tijd door in bomen en struiken, waar ze moeilijk vindbaar zijn. Geslachtsrijpe mannetjes keren terug naar het water en vertonen daar territoriaal gedrag. Vanaf allerlei zitplaatsen in de oevervegetatie maken ze korte vluchten laag over het water, waarbij andere mannetjes fanatiek worden verjaagd. In tegenstelling tot de sierlijke witsnuitlibel gaan de mannetjes slechts af en toe zitten op drijvende bladeren van waterlelie of gele plomp. Vrouwtjes die zich bij het water wagen worden direct gegrepen voor de paring, die meestal plaatsvindt in bomen of struiken. De eitjes worden meestal solitair door het vrouwtje afgezet, los in het water tussen de vegetatie.

Levenscyclus

De larven overwinteren meestal twee keer. Uitsluipen gebeurt van eind mei tot begin juli.

Laatste wijziging: 8 februari 2010