vorige  |  volgende
plasrombout  (Gomphus pulchellus)

Rombout van stilstaand en langzaam stromend water.

Onderorde

libellen

Familie

rombouten (Gomphidae)
meer informatie over deze familie »

Kenmerken

47-50 mm. Achterlijf in bovenaanzicht met een vrijwel geheel doorlopende gele lengtestreep op een zwarte achtergrond. Voor een goede determinatie is de borststuktekening belangrijk. Deze bestaat uit smalle strepen, waardoor het borststuk zeer licht oogt. Bij oudere dieren krijgt het borststuk een grijzige zweem. Zijkant borststuk: de eerste zijnaadstreep is volledig aanwezig, van de vleugelaanhechting tot aan de basis van de middenpoot. Mannetje: achterlijf overal min of meer even breed: weinig taille aan de basis en slechts een onduidelijke knotsvormige verbreding aan het einde. Vrouwtje: lijkt op mannetje, mara geheel zonder knotvormige verbreding aan het uiteinde van het achterlijf.

Gelijkende soorten

Andere rombouten, eventueel vrouwtjes en jonge mannetjes van de gewone oeverlibel.

Dit verspreidingsbeeld is gebaseerd op waarnemingen die zijn doorgegeven aan De Vlinderstichting. Het ontbreken van stippen op de kaart betekent dus niet per se dat de soort daar niet voorkomt. Het kan ook betekenen dat de soort er wel zit, maar dat we daar vandaan (nog) geen waarnemingen ontvangen hebben.
  Klik op het kaartje voor een vergroting

Dit vliegtijdendiagram is gebaseerd op waarnemingen die zijn doorgegeven aan De Vlinderstichting.

Voorkomen

Vrij algemeen, hoewel meestal geen hoge aantallen worden waargenomen.

Habitat

Plassen, poelen en traag stromende wateren. Soms ook vennen.

Vliegtijd en gedrag

Begin mei tot half augustus, met een piek in juni. Plasrombouten blijven niet bij het water en worden vaak waargenomen in weilanden, heidevelden, open plekken in bos, enz. Ze zitten vaak op de grond te zonnen en vallen pas op als ze opvliegen, om even verder weer te gaan zitten. Ook zijn langere jachtvluchten waar te nemen. Geslachtsrijpe mannetjes patrouilleren soms vlak boven het water langs de waterkant, maar paring vindt ook vaak verder van het water plaats. Eitjes worden door het vrouwtje in open water afgezet. Soms met enkele tegelijk, soms in klompen van enkele honderden eitjes.

Levenscyclus

De larven overwinteren doorgaans drie keer. Uitsluipen gebeurt van begin mei tot eind juni, met een piek in eind mei en begin juni.

Laatste wijziging: 8 februari 2010
Meer over deze soort:
Foto: Jordi Strijdhorst
Mannetje
Eifel (Duitsland) - 3 juni 2008
Foto: Kim Huskens
Vrouwtje
Maastricht - 6 juni 2006
Foto: Jordi Strijdhorst
Paringswiel
Vogezen (Frankrijk) - 20 juni 2008
 meer foto's »