vorige  |  volgende
venglazenmaker  (Aeshna juncea)

Typische glazenmaker, die patrouilleert boven vennen.

Onderorde

libellen

Familie

glazenmakers (Aeshnidae)
meer informatie over deze familie »

Kenmerken

65-80 mm. Lange, maar slank gebouwde glazenmaker. Achterlijf donker met mozaïektekening van licht gekleurde vlekken. Zijkant borststuk donker, met twee gele banden, die aan de bovenkant vaak blauw getint zijn (mannetjes). Tussen deze twee banden bevindt zich meestal slechts een kleine gele vlek. De zwarte lijn tussen voorhoofd en kopschild (vooraanzicht kop) is bij de oogrand versmald. Aan de achterzijde van de ogen staat een gele vlek. Voorrandader van de vleugels geel. Mannetje: Ogen bruinblauw. Bovenzijde achterlijfsegmenten met twee vrij grote, ovale, blauwe vlekken aan de achterrand. Op het midden van de segmenten staan twee kleine gele driehoekjes. Schouderstrepen doorgaans lang en smal, niet hamervormig verbreed. Vrouwtje: Ogen bruin met groen. Schouderstrepen kort. Pterostigma’s meestal geelbruin. Achterlijfstekening als mannetje, maar met kleinere vlekken die bovendien allemaal geel tot groen (zeldzaam blauw) zijn.

Gelijkende soorten

Noordse glazenmaker en paardenbijter.

Dit verspreidingsbeeld is gebaseerd op waarnemingen die zijn doorgegeven aan De Vlinderstichting. Het ontbreken van stippen op de kaart betekent dus niet per se dat de soort daar niet voorkomt. Het kan ook betekenen dat de soort er wel zit, maar dat we daar vandaan (nog) geen waarnemingen ontvangen hebben.
  Klik op het kaartje voor een vergroting

Dit vliegtijdendiagram is gebaseerd op waarnemingen die zijn doorgegeven aan De Vlinderstichting.

Voorkomen

Vrij algemeen op de hoge zandgronden.

Habitat

Matig voedselarme, van nature zure vennen en hoogveen.

Vliegtijd en gedrag

Een laat vliegende soort: half juni tot eind oktober, met een piek in augustus en september. Venglazenmakers zijn vooral in de middag actief. Jagende dieren worden vaak langs bosranden en boven beschutte heidevelden gezien, op meestal meer dan drie meter hoogte. Geslachtsrijpe mannetjes verdedigen een territorium bij het water door op ca. een meter boven water en oevervegetatie heen en weer te vliegen en regelmatig stil te hangen in de lucht. Ze houden hierbij het achterlijf recht en schuin omhoog, in tegenstelling tot mannetjes grote keizerlibel, die hun achterlijf horizontaal en licht gekromd houden. Eitjes worden door het vrouwtjes onder de waterspiegel afgezet in allerlei substraten: veenmossen, stengels van levende en dode planten, enz.

Levenscyclus

Doorgaans tweejarig. De eerste winter wordt doorgebracht als ei, de tweede als larve. Uitsluipen begint in mei en gaat door tot eind augustus of begin september. De meeste dieren sluipen uit tussen begin juli en half augustus.

Laatste wijziging: 8 februari 2010
Meer over deze soort:
Foto: Jo Hermans
Mannetje
Brunssum - 11 augustus 2007
Foto: André van Hengstum
Vrouwtje
Friesland - 12 augustus 2006
Foto: John van Roosmalen
Paringswiel
Beekbergen - 16 oktober 2007
Foto: Kim Huskens
Brunsummerheide
 meer foto's »