vorige  |  volgende
grote roodoogjuffer  (Erythromma najas)

In het voorjaar te vinden op drijvende planten.

Onderorde

juffers

Familie

waterjuffers (Coenagrionidae)
meer informatie over deze familie »

Kenmerken

30-36 mm. Dikker gebouwd dan de meeste andere juffers. Mannetje: ogen geheel rood. Borststuk met zwarte rug en blauwe zijkanten. Schouderstrepen ontbreken. Achterlijfsrug grotendeels zwart, met blauwe basis en punt: segmenten 1, 9 en 10 zijn blauw, ook aan de zijkant. In zijaanzicht zijn deze blauwe delen scherp ‘afgesneden’, aangezien segmenten 2 en 8 geen blauw hebben. Segment 10 zonder zwarte tekening in het blauw (bovenaanzicht). Bij oudere mannetjes worden de donkere delen van het achterlijf dof donkergrijs. Jonge mannetjes zijn gekleurd als vrouwtjes. Vrouwtje: ogen oranje tot bruin (niet rood). Rug van borststuk en achterlijf geheel donker, bij jonge dieren met koperglans. Zijkant borststuk en achterlijf geel, groen of blauwig. De schouderstrepen zijn vaak gereduceerd tot korte streepjes, hoewel soms volledig ontwikkeld.

Gelijkende soorten

Kleine roodoogjuffer. Vrouwtjes ook te verwarren met andere waterjuffers. Jonge (glimmende) dieren mogelijk ook met pantserjuffers.

Dit verspreidingsbeeld is gebaseerd op waarnemingen die zijn doorgegeven aan De Vlinderstichting. Het ontbreken van stippen op de kaart betekent dus niet per se dat de soort daar niet voorkomt. Het kan ook betekenen dat de soort er wel zit, maar dat we daar vandaan (nog) geen waarnemingen ontvangen hebben.
  Klik op het kaartje voor een vergroting

Dit vliegtijdendiagram is gebaseerd op waarnemingen die zijn doorgegeven aan De Vlinderstichting.

Voorkomen

Zeer algemeen.

Habitat

Allerlei stilstaande en zwak stromende wateren met uitgebreide drijvende vegetatie. Deze vegetatie is in voedselrijke wateren doorgaans beter ontwikkeld dan in voedselarme of zure wateren. De grote roodoogjuffer deelt zijn habitat met kleine roodoogjuffer, maar heeft een meer uitgesproken voorkeur voor planten met grote drijfbladeren, zoals gele plomp en witte waterlelie.

Vliegtijd en gedrag

Begin mei tot half september, met een piek van eind mei tot eind juni. Deze piek ligt duidelijk eerder dan bij de kleine roodoogjuffer, maar de vliegtijden van beide soorten overlappen in juni tot en met september. Mannetjes grote roodoogjuffer vliegen laag over drijvende waterplanten en gaan hier zeer frequent op zitten. Gele plomp lijkt vaak favoriet. Eiafzet gebeurt in tandem, op drijvende of ondergedoken planten. Het vrouwtje verdwijnt daarbij vaak helemaal onder water, soms samen met het mannetje.

Levenscyclus

De larve overwintert een of twee keer (hierover bestaat onduidelijkheid). In ieder geval gaan ze als volgroeide larve de winter in, waardoor ze in het voorjaar in een korte periode uitsluipen. Het uitsluipen vindt plaats van begin mei tot half augustus, met een piek in de tweede helft van mei en de eerste van juni.

Laatste wijziging: 8 februari 2010
Meer over deze soort:
Foto: Tim Termaat
Mannetje
2 juni 2008
Foto: Kim Huskens
Vrouwtje
Maastricht - 6 juni 2006
Foto: Kim Huskens
Tandem
Maastricht - 12 augustus 2008
Foto: Kim Huskens
Doort
 meer foto's »