vorige  |  volgende
azuurwaterjuffer  (Coenagrion puella)

Blauwste waterjuffer, zeer algemeen op de zandgronden.

Onderorde

juffers

Familie

waterjuffers (Coenagrionidae)
meer informatie over deze familie »

Kenmerken

33-35 mm. Slanke waterjuffers. Mannetje: lichter en uitgebreider blauw dan andere waterjuffers. Op segment twee staat doorgaans een U-vormige zwarte tekening, die niet is verbonden met de achterrand. De zwarte stukjes op segmenten 3, 4, en 5 (bovenaanzicht) zijn zeer kort, allen ongeveer een vijfde van de segmentlengte. Hierdoor komt het middengedeelte van het achterlijf zeer blauw over, met een regelmatig patroon van zwarte vlekjes. Segment 6 voor ca. de helft zwart, segment 7 vrijwel geheel. Segmenten 8 en 9 grotendeels blauw. Aan de zijkant van het achterlijf lopen de zwarte vlekken uit in een smalle streep richting de voorrand van de segmenten. Schouderstrepen normaal ontwikkeld. Vrouwtje: lichte delen groen tot blauw. Meestal met (vrijwel) geheel donkere achterlijfsrug. Er bestaat ook een vorm met blauwe vlekken op segmenten 2 tot en met 5.

Gelijkende soorten

Andere blauwe juffers, vooral variabele waterjuffer en watersnuffel.

Dit verspreidingsbeeld is gebaseerd op waarnemingen die zijn doorgegeven aan De Vlinderstichting. Het ontbreken van stippen op de kaart betekent dus niet per se dat de soort daar niet voorkomt. Het kan ook betekenen dat de soort er wel zit, maar dat we daar vandaan (nog) geen waarnemingen ontvangen hebben.
  Klik op het kaartje voor een vergroting

Dit vliegtijdendiagram is gebaseerd op waarnemingen die zijn doorgegeven aan De Vlinderstichting.

Voorkomen

Zeer algemeen op de zandgronden en in de duinen.

Habitat

Allerlei stilstaande en zwakstromende watertypen op zandbodem. Drijvende waterplanten zijn een pré.

Vliegtijd en gedrag

Lange vliegtijd: begin mei tot in september. Hoofdvliegtijd van half mei tot eind juli. Het gros van de imago’s is direct bij de waterkant of binnen enkele tientallen meters afstand daarvan te vinden, meestal in kruidenvegetatie. Eitjes worden in tandem afgezet, vaak groepsgewijs. Drijvende planten worden het meest gebruikt.

Levenscyclus

De larven overwinteren een of twee keer. Uitsluipen gebeurt in een relatief lange periode: van begin mei tot in augustus, met een piek in juni en juli.

Laatste wijziging: 8 februari 2010
Meer over deze soort:
Foto: Sjoerd v.d. Veen
Mannetje
De Wyldemerk, Gaasterland - 2 juli 2009
Foto: Eelke Schoppers
Vrouwtje
Schipborg - 1 juni 2008
Foto: André den Ouden
Paringswiel
Langenboom - 15 mei 2006
Foto: Kim Huskens
Doort
Foto: Jaap Bouwman
Meijendel
Foto: Kim Huskens
Millingerwaard
 meer foto's »